Stad Genk

Genk is een stad in de Belgische provincie Limburg en is de hoofdplaats van het kieskanton en het gerechtelijk kanton Genk. De stad telt meer dan 66.000 inwoners en is een van de belangrijkste industriële steden van Vlaanderen. Dit in het verleden door de aanwezigheid van drie steenkoolmijnen en later door haar ligging aan de autosnelweg E314 en het Albertkanaal. Genk verwierf in 2000 de titel van stad. Ze grenst aan Hasselt, Zutendaal, Oudsbergen, Houthalen-Helchteren, Zonhoven, Diepenbeek, Bilzen en As.

Toponymie
De naam Genk wordt voor het eerst vermeld in een schenkingsakte van 13 december 1108, als “Geneche”. De oorsprong van deze naam is onduidelijk. Men vermoedt dat het een samentrekking is van de Germaanse persoonsnaam “Ghan” en het Latijnse achtervoegsel “-acum” “(woonplaats), ofwel het Germaanse “-eck” (eik).

Geschiedenis
Reeds in het neolithicum was de omgeving van Genk bewoond: in 1812 werden stenen bijlen en pijlpunten uit deze tijd opgegraven. Ongeveer 500 v.Chr. bestond er een Keltische nederzetting. De Romeinen hebben hier vermoedelijk niet veel vertoefd: er zijn geen Romeinse bodemvondsten aangetroffen. Bij de bron van de Stiemerbeek werden vroeg-Frankische resten aangetroffen, zoals brandgraven met urnen. Het dorp werd gekerstend in de Frankische tijd. Dit geschiedde vermoedelijk vanuit de Abdij van Munsterbilzen. Uit deze tijd (omstreeks 800) werd een houten zaalkerkje teruggevonden, vlak bij de plaats waar de huidige Sint-Martinuskerk staat. Genk bleef bijna 800 jaren lang een landelijk gehucht (in het Latijn: “vicus”) met 200 à 500 inwoners. De kern Genk bleef het centrum van een aantal andere gehuchten die om Genk heen lagen maar geen eigen centrum van betekenis hadden: Winterslag, Gelieren, Waterschei, het gehucht Langerlo, Camerlo, en Sledderlo.

Vermoedelijk behoorde Genk met omgeving al in de 11e eeuw tot het Graafschap Loon, en vanaf 1366 tot het Prinsbisdom Luik.

Tijdens de 17e eeuw werden diverse schansen aangelegd, een voor Genk zelf (Dorpsschans), en verder schansen in Winterslag, Gelieren, Sledderlo, Langerlo, Terboekt, en Waterschei. Hier kon de bevolking zich terugtrekken als vreemde troepen het land onveilig maakten. Berucht was de Slag van Sint-Nicolaasdag 1648 op de Donderslagse Heide ten noorden van Genk. Hierbij leverden burgersoldaten (huyslieden) slag tegen rondzwervende Lotharingse troepen, waarbij ook 42 Genkenaren het leven lieten.

Pas in 1753 werd Genk in leen gegeven. De eerste heer was De Grady De Groenendael. In deze tijd waren de bokkenrijders actief, en ook Genk werd hierdoor geteisterd.

Tijdens de beloken tijd, eind 18e eeuw, kreeg Genk de bijnaam Heilig Genk, omdat de Genkenaren hun priesters lieten onderduiken. Ook wisten ze twee van de vier klokken veilig te stellen. De andere twee werden door de Fransen omgesmolten tot wapentuig.

Genk bleef echter lange tijd een kleine plaats. In 1900 had het, tezamen met zijn gehuchten, slechts 2437 inwoners.

Bron: WikipediA

Bezoek de officiële website van de Stad Genk op dit adres: https://www.genk.be/

Dit onderwerp delen via sociale media